A Aankhölt waar 't geslachte varken aanhangt Auws links of tegen de keer in Anstóke in 'n cafe 'n borreltje of glas drinken Ald oud Alder ouder Aorig eigenwaardig of ziek eruit zien Afspikkeliere loeren of afkijken Aord inhoudsmaat of kruik (drank) Aosem / Aojem adem Alterráge wat 'n gedoe, of werk op mijn hals halen B Boeremoes boerenkool Blöje mangelblad voor de varkens Blote telder blote kond Bout oogsttijd Bessem bezem Ben mand Bëum boom Betëid bedoeld Bluudje klein kind Bliënden vensters Baolslob schort van jute Bëije bidden Böks broek Buukriem buikspek van 't varken Bëej bijen Bruspot kookpot voor 't varkensvoer Bewaorschöl kleuterschool Bandele hoepelen Bemmele bungelen Böken boeren of oprispen Blaok rook of stoom Blieken gluren Bloiers blaren Böl bollen Bikkel knikker Bikkele knikkeren Bowschoen schoenen voor op 't land Biender snelbinder op de fiets bijvoorbeeld Betietelijk sjiek Blieken gluren Bliende welt, wat grabbelt ge in den duuster blinde wereld, wat tast je in het duister Brilleschei brille-etui Border holt houtschans of hoop Balsturig onstuimig Boest klein dik jongetje of meisje Boks wortelstronk van een boom Bindels kousen of sok-ophouders Blauw menneke soort vink Befke kraag Bukkum vissoort Bressem brasem (vissoort) Bratse zweren op je lichaam Brombére kruisbessen Bandelle met 'n wiel en stok hardlopen en met de stok al tikkend de band mee nemen Buukziek rotte appel of peer Bats zitvlak / bil of platte schop Bazeroen werkhemd of kiel Belléke schreien of janken Bescheid geve waarschuwen of laten weten Bietse stelen Blaag kinderen Billetikker jacquet of pandjesjas Blaospiep muziekinstrument Bleére schreeuwen Bleik grasveldje waar de was werd neergelegd en de was werd gesproeid Bojjum bodem van een emmer bijv. Bottermelk karnemelk Baktand kies Bacht achter Bessem bezem Bezetting longontsteking Braaf 't eggest hetzelfde Brilleschei brillenkoke r D Drats koffiedik of drap Dörslag vergiet Dülpus rare tienes Dräankmolen om varkensvoer fijn te malen Doef duif Deél stal voor vee Doelija domme vrouw Derke of Den of Din meisje Durgebont kozijnstijl van een deur enne Dél 'n hoop of heel veel Dukzat dikwijls Durrum daarom Duuster donker Drulleke uitdrukking van een klein kind Dingst vriendelijk Duts deuk Dulpus goedzak of rare tienes Dorskast dorsmachine Dér 'n gebaar Daon doorn Dojser dromerige vrouw Dreksbak vuilnisemmer Duk vaak of veel Dummelig 't word langzaam donker E Eëk azijn Efkes even Eierboest eierschaal Ervél arm vol, bijv. een arm vol hooi Elking heel, bijv. de kous is nog heel Eerwinter eenjarig stuk vee Èéktes hagedis Èérbeeje werken Èérmoej armoede Èérmoeje klungelen of prutsen Ègaal om 't even Èmmere treuzelen Èvvel term die krachtig wordt uitgedrukt, bijv. ge ziet evvel moj te loat F Foezel oude of jonge jenever Flink Vrommes flinke vrouw Faiëme (oubetten) kletsen Fléér klap, mep of oorveeg geven Feemp dunne spaan Fetuute streken hebben Filepiene lupine (groenbemesting) Fichteren opzeggen van een contract Fieterke 'n beetje Frotte prutsen Fimp klein meisje Foetelen oneerlijk spel G Güttegat afvoer van het riool God alle welt zeg ik uitdrukking Goeij Botter roomboter Grieselen harken Golde lozie gouden horloge Gaärut gën tied helemaal geen tijd Greendwëg grindpad Galgen bretels Gütsteen gootsteen Grinzen schreien Geie wieden of onkruid plukken Gesluns / Gesleuns afval van 't varken Gotzamme zegen ons uitdrukking Gavel gaffel voor hooi Géélverf geelzucht Gerfkaamer sacristie Gewaone kunstmest van vroeger Gaest steeg Gedeuns gedoe Gladdekker / Gladjanus kale knikker Gäonderwied daarginds Grop hebberd Gruünspaon koperoxide Gesleuns afval van de slacht Goegelen schaterlachen H Hòwklos om hout op te hakken Hiep klein bijltje Haffel handvol Hommelen onweer Hoening honing Huüi hooi Hemke paardentuig Hoenderhok kippenhok Hutspot vlees en wordt na 't slachten van een varken Hak violen je kunt me nog meer vertellen Haffelen hutselen Hompen hinkelen Hutsturm storm in een glas water Hélligewerke littekens in het gezicht Holverzak onbehouwen Hàampleman onhandig Huiske toilet of wc Haore zeis scherp maken Holveren klauteren Haerleien krans maken voor een bruiloft Holsketting halsketting Hoeneer waneer Herregezien in 'n handomdraai bekeken of gemaakt Hilteren kniebotje van 't varken I Ingsel / Ingseling eindelijk / uiteindelijk Inkpoes eekhoorn J Jükst jeuk Joekel groot van formaat Jatten grote handen / stelen K Knip portemonnee Kruut stroop Kënmëlk karnemelk Klëump klompen Kluutje klontje  (bijv. klontje boter) Knient konijnen Kruutwit kiëke bleek zijn Kolf in de böks broek met zeer grote zakken Köje kaantjes Kippeköj kippenhok Küleke gaatje Kummelik moeilijk doen Klut mus Kiepevëke kippen op stok Klëen klötje klein jongetje Krüuske kruis Knieptang nijptang Kënnen Karnen van melk Krüus Kruis Kërs aanstëke kaars aansteken Kussetiek kussensloop Kappes kool Klingelbuul stok met zakje waarin het geld werd opgehaald in de kerk Keéren vegen Knoie mopperen / zeuren Kwiebus pretmaker / verwaand iemand Keumke kopje Köken boeren Kwats onzin Knoet onder de duim Kemassen leren bovenstukje die je aandeed op 't land, dus een laars (zonder schoenen) van leer met 'n riempje Karnalje kwade of boze vrouw Koeenieren plagen Kaole kasgenaje kale kak Krot kleine mens Kasteijen pesten of plagen Knoepert groot van formaat Klüpper flink groot of omvangrijk Kléútje / Klutje klein jongetje Krimme kreunen Krets schurft Kààldfiester koukleum Knaous / Knaos daas  / bosvlieg Koetelen oneerlijk spelen Koewhart boerenknecht Krangs binnenstebuiten Kroezekraom kraanvogel Kwak hoeveelheid Kubel hoge hoed Kiebes kop / hoofd Kwekske / Kletske klein beetje van vaste stof, bijv. aardappelen Kletkse klein beetje van vloeistof, bijv. melk Kaonhoop grote strohoop met strooien dak Kobbe bol van de hoed L Läoj lade Leer ladder Luus luis Losse schoen open schoen Lunks grote lange vrouw Lange slet grote lange vrouw, groot van stuk Lébbendig levendig Liefke jarretelgordel Lekmoel verwende eter Looksaus uiensaus Lordsigheid (lortsigheid) slordigheid Los kleed in de jurk. zonder jas Look uien M Müzekeutels hagelslag Meizuuntje madeliefje Mërge groond 1 are grond Miemere bessen rood of zwart Moelberre bosbessen Matkolf vlaamse gaai Merling / Mel merel Mietzak klein van stuk Mij af en toe Mies halsbont Meulepaard grof en of corpulente vrouw Meure slapen Mistelkuul mestvracht mowe zeuren N Nierken herkauwen Nagel spijker Nagelneej of Foonkelneej splinter Neej nieuw Neejerd jonge klare (foezel) Neuje uitnodigen Nondersakke potverdorie (vloek) Naoke zeuren O Överjas jas voor over de kleding Onmundig lomp Òre haalde middagdutje doen Ongel dierenvet Ozele kloukleumen Aontussen ruilen Òpslag miskraam Òrtendag restjes eten P Pröst makkelijke stoel Pekzwart gitzwart Pök big Prulleke klein bloedworstje Pökkel ronde rug Pieper aardappel Plak laand stuk grond Permetiere klagen Pérdgeschier paardetuig Plaore sukkelen / tobben Poest boomstronk Pulluf groot kussen Proper schoon / rein Piek iets oppakken Plakt goed 't schiet op Péle versieren met processie of feest Pierk / Pierek perzik Ploegdriever kwikstaartje Pòk / Pukske kleine big Pannelepper vlinder Pinnekenaks spiernaakt Plàkke schiet op Pies passen Plemmets grote wond aan het lichaam Pitelerken jas Pulluf peluw / stevig kussen Pet draaien pet schuin leggen en op afstand proberen en er 'n bal in te gooien (schoolspel van +/- 1900) R Rood moes rode kool Rökeliezer fornuispook Ruzelen in de rui Répel voor vee aan vast te zetten Rezenieren bemoeizucht / bazig doen Ruien schommelen Rui schommel Richtige precies / juist / zuiver Rushouwer grote eter Rüzelen vallen van verwelkte bloemen Rondströwen / rondbladderen klikken / roddelen S Schoer zware regenbui (onweer) Stékbëre kruisbessen Stevels laarzen Schümspaon schuimlepel Scheenk ham Schüpkes rapen dennenappels rapen Schebbige wiend koude ijzige wind Schoeks schuin Soomp zeurderig mens Stroontzat dronken Schiethuus wc / toilet Schinnen schenen Schup Schop / Spade Schiets-smeel zeer kleine verwonding Sukkerruve suikerbiet Stekkerruve rapen Schötelslet vaatdoek Schroet kalkoen Schinaos lelijk mens Schoerezel harde werkers Schoersblik spatbord Stroispierke stro / aar Steggele ruzie / herrie maken Semmele zeuren Slibberen glijden op het ijs (baan) Snierken afgluren Schobbejak vlegel / schurk Saras rotzak Spelken tong uitsteken Snuien weghalen Smutten trekken / plukken aan iemand Spil dunne / schiet / diarree Schobelunder Schik gehad plezier gemaakt Scherewere roepen of schreeuwen Schoenwiks schoencrème Stinkóllie petroleum Stimpelpotje een potje met 3 pootjes eronder voor boven het vuur Schuulhoed een hoed met brede grote rand Schanderm politie van vroeger Slip schoot (op je schoot zitten) Schollek schort Schuupe zwerven Slieps stropdas Smaàlt reuzel Smoek sieraden Snëjer kleermaker Snööje fruit stelen Spééje spugen / braken Spuulsteen gootsteen Strietsen stelen Spoeien haasten Schérlappen oogkleppen van 't paard Schietsmeel  te niks om over te praten Schabelier medaille T Telder bord Toe schoen dichte schoen Tuit melkbus Teumpke puntje van een zakdoek Toomp hoek Tuutei kippe-ei Trekbuul accordeon Tòffel tafel Tòttele stotteren Teempeltéér wilde roos / gierige vrouw Tòòntele klungelen Tuuimel ellende / tegenspoed Toemoel iemand die weinig praat U Ülskuuke rotzak van een kind Ulling wezel Uulnig dör rechtdoor lopen Upper dobber van een vishengel Upper mijt (hooiupper = hooi mijt) Umkuukele omvallen Uuterèn uit elkaar vallen Uutscharren het leegmaken van een bakje of potje met een mes of spatel, daarbij echt de laatste beetjes er uit halen V Verinnewieren vernielen of stuk maken Verpierd wortelen met pieren erin Verrel reep / stuk spek Vèèke kippenstok Verhandelierd vernield / verkreukeld Verlodsen (Verlotsen) verwaarlozen Verrig klaar / gereed Vrommes vrouw Vruute wroeten Vinderen uitzoeken / achterhalen Vór éven veul slordig / kan me niks schelen op welke manier dan ook W Worsthünneke hoorntje op de vleesmachine Wiks schoensmeer Wans oneffen Wats draai om je oren / klap Wies tot morgen (wies maan) Wiets mop / grap Wintesse samen delen (úmtuuse) Wruiles slungel Wruule / Wirlen draaien / woelen Watsekkeb / Wirlen al schommelend met je billen aan komen lopen Würvel sluiting / hangsel van een schuurdeur Welboom machine die de grond plat maakt (gebruik achter de tractor) Wisboom grote lange paal of boom die over de hooi- en strowagen werd gespannen met touw Wiet / Wietweg ver weg Waor dow aan de kant Z Zicht zeis (klein) Zweel eelt Zeéjschotel trechtervormige melkzeef Zweten transpireren Zift zeef Zijkklemmen / Zijkdimmen mieren Zouwen knoeien Zoeremoes zuurkool Zwetsen opscheppen / bluffen Zijkkelder gierkelder Zatvréter tegen heerlijk eten op 'n vervelende manier nee zeggen Zwerink de hoek omfietsen / omrijden Zummedeen / Zummeteen dadelijk Zoebelen zuigen Zauw modder Zeivere kwijlen Zóónd jammer / zonde Zweegel lucifer Zúk kousen / sokken Zeeg mak / braaf Zouwnikkel knoeipot
Heijese woorden. Uit het schrift van M. Manders-Muskens